De portfolio-carrière als overlevingsstrategie
In de praktijk blijkt het vaak niet eenvoudig om uitsluitend inkomsten te halen uit de eigen maakpraktijk. Een van de meest prangende uitdagingen voor iedere maker is dan ook het vinden en behouden van een gezond financieel evenwicht. Om hun passie levensvatbaar te houden, bouwen veel ambachtslieden daarom noodgedwongen een zogenaamde ‘portfolio-carrière’ uit. Hierbij combineren ze diverse inkomstenstromen, variërend van werk in loondienst en lesopdrachten tot commerciële opdrachten en eigen verkoop. We vroegen de vier makers hoe zij deze verschillende rollen organiseren en welke keuzes zij maken om hun praktijk draaiende te houden.
Voor handwever Hélène Borgers is de combinatie tussen haar eigen studio en het deeltijdse onderwijs een perfect uitgebalanceerde wisselwerking. Hoewel haar eerste jaren als zelfstandige soms moeizaam verliepen en puur break-even draaiden, is haar zelfstandige maakpraktijk de afgelopen vijf jaar uitgegroeid tot een volwaardige en evenwaardige pijler naast haar gedeeltelijke betrekking in het onderwijs. “Het ene kan niet zonder het andere. Ze vullen elkaar op verschillende vlakken aan,” legt Hélène uit. Dat ze nooit volledig in het onderwijs heeft willen stappen, is een uiterst bewuste keuze: “Je moet voldoende tijd, ruimte en energie overhouden om in je eigen atelier te spenderen. Doe je dat niet, dan kun je zelf op de duur ook geen nieuwe dingen meer aanreiken.”
Daarnaast is ondernemerschap voor Hélène synoniem met absolute zelfstandigheid. Zo voert ze al haar opdrachten uit als zelfstandige, onder meer voor een specifieke weverij en een kunstschool: “De vrijheid om opdrachten zelf te laten ontwikkelen is net de grote luxe van het zelfstandig zijn,” benadrukt ze. In de Belgische ambachtswereld is het statuut van zelfstandige dan ook een evidentie voor wie professioneel wil groeien, vult ze aan: “Als je je ambacht een professionele richting wilt geven, is het pad van zelfstandige in België simpelweg de meest logische weg.”
Textieltekenaar Margot Billiet herkent deze evolutie. Na zeventien jaar als freelancer werkte ze een periode op de payroll van een muurbekledingsbedrijf, om daarna opnieuw als zelfstandige te starten in de erfgoedsector. Om de financiële overgang te overbruggen, werkte ze deels voor de organisatie Handmade in Brugge. Metaalspecialist Klaas Remmen, die samen met zijn broer een atelier met zeven medewerkers runt, benadrukt dat je als kleine zelfstandige steeds skin in the game blijft hebben, een financieel risico dat maakt het dat vaak zwemmen of verzuipen blijft. Maar, vult Klaas aan, als ambachter heb je ook soul in the game: Het creatieve proces dat verbonden is met hun stiel mag dan gekenmerkt worden door een onzekere economische realiteit, het blijft ook vaak met hart en ziel dat de ambachter aan het werk gaat.
Meubelontwerper Joe Sterck, die drie jaar geleden afstudeerde, hanteert een dubbele strategie om financieel gezond te blijven. Naast zijn vrije, conceptuele werk in de galerijwereld, richtte hij Studio Sterck op, een toegankelijke spin-off die hij vergelijkt met de relatie tussen Giorgio Armani en Emporio Armani: “Ik besteed de productie deels uit om de kostprijs laag te houden en commerciëler te kunnen werken via kanalen als Instagram,” legt hij uit. Voor Joe is dit een noodzaak omdat de vaste kosten voor een atelier en materialen enorm hoog zijn.
In een sector waar technieken constant evolueren, is bijscholing daarnaast geen luxe maar een overlevingsvoorwaarde. Toch blijkt dat de klassieke opleidingen makers vaak niet voorbereiden op de zakelijke kant van het vak. “Ik maak vaak het onderscheid tussen ‘street smart’ en ‘book smart’”, vertelt Klaas. “Als kleine zelfstandige moeten we er gewoon voor zorgen dat het lukt, dat we de norm halen en dat het werkt. Het gaat erom dat je, afhankelijk van wat je nodig hebt, de juiste mensen leert aanspreken.” Ook Margot herkent zich hierin: “Wij passen ons veel gemakkelijker aan de wereld rondom ons aan dan andersom. Het draait om die ondernemende attitude, om proactief denken: hoe los je een probleem op als het zich stelt?” Als gevolg startte ze recent een tweejarige opleiding papierrestauratie om haar kansen in de erfgoedsector te vergroten. Studenten die bij haar stage lopen zijn vaak technisch en artistiek zeer sterk, maar hebben weinig notie van hoe ze een prijs moeten zetten of een contract opstellen.
De bureaucratische muur
Hoewel zichtbaarheid belangrijk blijft, staan veel makers ietwat sceptisch tegenover formele certificeringen en de bijbehorende administratie. Hélène benadrukt de bijkomende lasten die met het behalen van een certificaat gepaard gaan: “Eerlijk gezegd heb ik daar geen tijd voor. Dat zijn allemaal uren dat je niet in je atelier kunt zitten”. Ze vindt dat je eigen kunnen de beste erkenning is. Klaas ervaart certificering zelfs als een hindernis. Hij wijst op de overmatige administratieve romslomp om een erkenning als aannemer te behouden en vreest dat zulke labels ook niet altijd evenredig garant staan voor de kwaliteit van bepaald vakmanschap.
Margot ziet wel de sociale waarde van een label zoals Handmade in Brugge, omdat het haar hielp een netwerk op te bouwen na haar terugkeer naar de stad. Toch botst ook zij op de onbegrijpelijke taal van bepaalde instanties. “Ik heb bij de bank gezeten en het is verschrikkelijk. Zij spreken een andere taal en het is heel moeilijk hen te overtuigen van je praktijk,” zucht de textieltekenaar. Daarnaast noemt ze de 21% btw op handgemaakte producten een absolute dooddoener voor de rendabiliteit van haar praktijk.
Het atelier
Verder is ook de strijd om een fysieke werkplek een uiterst herkenbaar pijnpunt voor zowat iedere maker, ongeacht de activiteit of woonplaats. In België is het een welbekend en pijnlijk verhaal: Er is een acuut gebrek aan geschikte ateliers, de huurprijzen zijn torenhoog en de onzekerheid is troef. Zowel Hélène als Margot hebben doorheen hun parcours ervaren hoe het is om plots zonder atelier te vallen. Het bleek een harde maar cruciale les die hen dwong om de fysieke maakplaats niet langer als een luxe, maar als een absolute en ononderhandelbare bestaansvoorwaarde na te streven én te behouden: “Ik heb enkele jaren geen atelier gehad,” blikt Hélène terug op die moeilijke periode. “Als je dan opdrachten hebt of dingen wilt doen, en je hebt geen plek, dan besef je pas echt: dit is het niet. Juist door er geen te hebben, besefte ik hoe hard ik die ruimte nodig had om te kunnen creëren.” De druk was destijds zo groot dat ze zelfs haar grootste weefgetouw, met een win-winlening gefinancierd, noodgedwongen moest verkopen. Vandaag deelt ze een atelier met een collega en bevindt ze zich in een grotere creatieve hub met meubelmakers, een muzikant en een fietsenmaker. “Dat je je onderzoek kunt laten liggen, dat je er altijd naar terug kunt keren zonder dat je alles meteen moet opruimen. Dat is een enorme luxe en een serieuze verademing.”
Ook Margot herinnert zich de periode zonder aparte werkruimte nog levendig. “In het begin had ik niet veel plaats nodig; mijn computer stond gewoon in de slaapkamer en ik trok met mijn stalen rechtstreeks naar de klanten.” Maar naarmate een praktijk groeit, breidt de materiële voetafdruk onvermijdelijk uit. Vandaag werkt Margot op twee plekken tegelijk. Ze huurt een appartement waarvan de woonkamer ’s winters dienstdoet als warme computerwerkplek, en daarnaast deelt ze een extern atelier buiten het centrum met twee collega’s van Handmade in Brugge om de kosten te drukken. Maar ook die ruimte barst alweer uit haar voegen: “Mijn zeefdruktafel is tien meter lang, die kan ik daar simpelweg niet kwijt. Je bent als maker constant aan het kijken hoe je zulke logistieke problemen oplost. Het voelt soms als constant brandjes blussen.” Toch blijft de gedeelde ruimte buiten de deur voor haar essentieel, al is het maar voor de dialoog bij een kop koffie, aldus Billiet.
Voor Joe Sterck is de zoektocht naar een betaalbaar atelier in Brussel een even groot avontuur, dat soms balanceert op de grens van wat legale mogelijkheden toelaten. Nadat zijn vorige antikraakatelier na een plotselinge opzegging werd afgebroken, moest hij binnen de drie maanden een nieuwe ruimte vinden. Vandaag deelt hij een gebouw met zestig andere creatieven in een herbestemde kantoorruimte. Daarnaast is het gebrek aan comfort een zware fysieke dobber. “Onze ateliers worden in de winter niet verwarmd. Het is er dan vaak kouder binnen dan buiten, en dat heeft een directe, negatieve invloed op je werk en je productiviteit.”
De ervaring van Klaas en collega’s toont dat het anders kan, maar niet zonder de nodige financiële risico’s: “We hebben eerst een jaar lang iets gehuurd, maar daarna kregen we de kans om een pand te kopen. Dat was toen een waanzinnig en risicovol idee, maar ik zou het mezelf nooit vergeven hebben als we die stap niet hadden gezet. Die eigen, vaste plek was absoluut noodzakelijk om de ruimte te hebben om te doen wat we wilden doen, en om organisch te kunnen groeien.” De uiteenlopende ervaringen bewijzen dat de strijd om een fysieke maakruimte in België de ultieme lakmoesproef is voor succesvol ambachtelijk ondernemerschap: zonder een betaalbare en stabiele uitvalsbasis blijft het ambacht immers letterlijk en figuurlijk in de kou staan.
Een blik op de toekomst
Het gesprek eindigt met een prangende vraag over de waardering van ambacht in België. Hier merken de vier spreker elk grote verschillen op met onze buurlanden. In Nederland of Scandinavië is de waardering voor mooie materialen en handwerk veel groter, merkt Margot op. Ze ziet dat mensen de relevantie soms niet meer begrijpen: “Als ik het kan kopen voor tien euro, waarom zou ik dan honderd euro uitgeven?” Klaas trekt dit door naar een breder maatschappelijk niveau. Hij gebruikt het voorbeeld van klinknagels in China die tot tien keer goedkoper zijn dan de kostprijs van ze zelf te vervaardigen. “Als we als samenleving weerbaar willen blijven, moeten we lokaal kunnen blijven maken. Als de boten uit China ooit stoppen, kunnen we hier op dit punt niets meer maken, zelfs geen brug,” waarschuwt hij. De grootste winst voor de toekomst ligt volgens Klaas dan ook niet in subsidies, maar in het creëren van een economische realiteit waarin de overheid bij opdrachten niet enkel op de laagste prijs selecteert, maar bewust kiest voor lokaal design en vakmanschap.
Een veelheid aan wegen naar vakmanschap
Wat deze ervaringen bovenal leren, is dat er geen kant-en-klare blauwdruk bestaat voor een succesvol economisch parcours als maker. De diversiteit aan ondernemersprofielen is even breed als de materialen en technieken waarmee ambachters aan de slag gaan. Waar de één heil ziet in een commerciële spin-off om de vrije creatie te bekostigen, vindt de ander stabiliteit in de erfgoedsector of het doorgeven van kennis in het atelier. Toch spreken ze, ondanks die verschillende wegen, één gemeenschappelijke taal. Het is de taal van passie en een onstuitbare intrinsieke drang die ingaat tegen de stroom van hoge belastingtarieven, bankjargon of koude atelierruimtes.
De grootste uitdaging voor de toekomst ligt dus ook niet in het uniformiseren van beleid gericht op makers, maar in het creëren van een klimaat waarin hun diversiteit kan bloeien. Of het nu gaat om het herwaarderen van lokaal vakmanschap in overheidsopdrachten of het integreren van zakelijke street smarts in de opleidingen: De maker is geen dromer aan de zijlijn, maar een cruciaal element in onze economie en cultuur. Zoals Margot concludeert, is ambacht voor hen geen luxe, maar komt het ook voort uit een existentiële gedrevenheid: “Als ik mijn werk niet kan doen, dan ben ik echt diepongelukkig”. Het is aan de samenleving om die beleving—en de klinknagels, weefsels en meubels die eruit voortvloeien—naar waarde te schatten.